Vervolg vonnis
als vervolg van het tussen partijen gewezen vonnis van 24 februari 2005.
1. Werkgever aansprakelijk voor schade schildersziekte (OPS): vervolg procedure
Bij voormeld vonnis is een deskundigenbericht bevolen en zijn drie deskundigen benoemd met de opdracht de in dat vonnis vermelde vragen te beantwoorden. Op 2 december 2005 is het rapport van de deskundigen d.d. 30 november 2005 ter griffie van de sector kanton van de rechtbank ingekomen. Vervolgens heeft [eiser] een conclusie na deskundigenbericht genomen, heeft [gedaagde] een antwoordconclusie na deskundigenbericht genomen en heeft [eiser] nog een akte genomen. Tenslotte is andermaal vonnis bepaald.
2. Werkgever aansprakelijk voor schade schildersziekte (OPS): verdere beoordeling
2.1. Voor de aan de deskundigen voorgelegde vragen wordt verwezen naar het vonnis van 24 februari 2005. Voor de volledige antwoorden op de vragen door de deskundigen wordt verwezen naar het rapport d.d. 30 november 2005. Kort weergegeven komen de antwoorden op het volgende neer. De psychiater, prof. dr. R.J. van den Bosch, stelt als diagnose op psychiatrisch gebied: ongedifferentieerde somatoforme stoornis (vanwege de hardnekkige vermoeidheidsklachten) - conform DSM-IV criteria. De neuroloog, dr. E.R.P. Brunt, en de neuropsycholoog, dr. A.H. van Zomeren, stellen als neurologische diagnose: chronische toxische encephalopathie (CTE) stadium 2. De psychiater is van oordeel dat er geen (rest)klachten/-verschijnselen zijn die met waarschijnlijkheid aan contact met oplosmiddelen moeten worden toegeschreven, aangezien de gemiddelde blootstelling daarvoor te gering is geweest. Als frequente blootstelling aan zeer hoge piekconcentraties aangenomen moet worden - hetgeen hij vooralsnog niet kan aannemen wegens gebrek aan objectieve onderbouwing - valt te verdedigen dat deze een rol gespeeld kunnen hebben, aldus de psychiater. Volgens de psychiater is het zeer onwaarschijnlijk dat de klachten van [eiser] op medische gronden in redelijkheid beschouwd kunnen worden als te zijn ontstaan als gevolg van contact met oplosmiddelen, althans neurotoxische stoffen. De neuroloog en de neuropsycholoog zijn van oordeel dat de verschijnselen van verminderd cognitief functioneren, met een afgenomen mentaal tempo, verzwakte geheugenfuncties, gebrek aan overzicht en falende aandachtsverdeling in complexe situaties en de fysieke verschijnselen van verminderde reuk en licht gestoorde fijne motoriek, op medische gronden in redelijkheid kunnen worden beschouwd als een mogelijk gevolg van contact met oplosmiddelen, en zij achten een causaal verband daartussen zeer waarschijnlijk. De psychiater acht het niet aannemelijk dat de klachten van [eiser] het gevolg zijn van de arbeidsomstandigheden tijdens het dienstverband bij [gedaagde]. De neuroloog en de neuropsycholoog achten dat wel aannemelijk althans mogelijk. De psychiater acht het denkbaar maar niet met voldoende waarschijnlijkheid te stellen dat [eiser] ook zonder werken met oplosmiddelen klachten had gekregen zoals die nu zijn ontstaan. De neuroloog en de neuropsycholoog hebben geen reden te veronderstellen dat de door hen vermelde klachten reeds bestonden vóór 1975 of zouden zijn ontstaan als [eiser] niet langdurig met oplosmiddelen had gewerkt.
2.2. De conclusies van de neuroloog en de neuropsycholoog enerzijds en die van de psychiater anderzijds staan derhalve op essentiële punten tegenover elkaar, althans verschillen op essentiële punten van elkaar.
In dit verband is het volgende van belang. De psychiater acht het (p. 37 van het rapport), gezien de aspecifieke aard van de klachten van [eiser] en de belastende werkomstandigheden destijds, mogelijk dat die klachten te verklaren zijn in het kader van een chronisch burnout syndroom of een verwant reactiepatroon bestaande uit stressgerelateerde klachten. Deze overweging is naar de mening van de psychiater alleen al daarom op zijn plaats omdat voor zover bekend en wetenschappelijk onderbouwd aan de meest cruciale eis voor de diagnose CTE niet is voldaan, te weten blootstelling boven aanvaardbaar geachte marges. In dat verband refereert de psychiater aan de door IndusTox uitgevoerde retrospectieve berekening van de blootstelling van [eiser] aan oplosmiddelen tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden voor [gedaagde], welke berekening wijst op een gemiddelde blootstelling onder de MAC-waarden. De bestaande literatuur geeft geen reden om te veronderstellen dat er bij een gemiddelde blootstelling onder de toegestane MAC-waarden gevaar bestaat voor het ontstaan van CTE, aldus de psychiater. Volgens de psychiater komt dan per definitie de diagnose CTE niet in aanmerking. Op p. 34 van het rapport merkt de psychiater op: "Deze overwegingen nemen uiteraard niet weg dat de geheugenklachten en de moeheid een causaal verband kunnen hebben met blootstelling aan te hoge concentraties oplosmiddelen, echter niet noodzakelijkerwijs. Een objectieve deskundige bevestiging van een hoog en langdurig blootstellingsniveau zou laatstgenoemde verklaring ondersteunen zonder deze met zekerheid te kunnen bevestigen; echter deze ondersteuning ontbreekt. Betrokkene was vermoedelijk herhaaldelijk kortdurend blootgesteld aan piekconcentraties. Niet aangetoond is dat dit een relevante factor is, maar dit kan ook niet geheel worden uitgesloten." De neuroloog is van mening (p. 38 van het rapport) dat uit de schatting door IndusTox van de gemiddelde 8 uurs concentratie van oplosmiddelen waaraan [eiser] tijdens zijn werkzaamheden bij [gedaagde] is blootgesteld, niet kan worden geconcludeerd dat er bij hem geen sprake kan zijn van CTE, onder meer gelet op het gegeven dat er geen voldoende kennis is over de veiligheid van de gehanteerde MAC-waarden bij blootstelling over een zeer lange periode van ongeveer 20 jaar, zoals hier het geval is, en dat er onvoldoende bekend is over het effect van piekblootstelling. Volgens de neuroloog wijzen de anamnestische en heteroanamnestische gegevens op een aanzienlijke, langdurige en frequent waarschijnlijk zeer hoge blootstelling van [eiser] aan organische oplosmiddelen waaronder tolueen en methylethylketon, waarvan neurotoxische verschijnselen bekend zijn, en op frequente acute intoxicatie-verschijnselen tijdens het spuiten en subacute intoxicatieverschijnselen in de loop van de werkweek. Bij het ontbreken van een andere verklaring achten de neuropsycholoog en de neuroloog het wel waarschijnlijk dat de hersenbeschadiging, waarvan een organische achtergrond aannemelijk is, het gevolg is van CTE.
2.3. Op basis van de conclusies van de drie deskundigen moet worden vastgesteld dat, indien komt vast te staan of aangenomen moet worden dat [eiser] tijdens zijn werkzaamheden voor [gedaagde] gedurende een lange periode is blootgesteld geweest aan concentraties organische oplosmiddelen die gemiddeld boven de MAC-waarden liggen, tevens aannemelijk is dat die blootstelling heeft geleid tot de ziekteverschijnselen die [eiser] vertoont en welk ziektebeeld dan aangeduid moet worden als CTE (of OPS). Voorts moet het op basis van de conclusies van de deskundigen mogelijk althans - minstgenomen - niet uitgesloten worden geacht dat, als die blootstelling gemiddeld niet boven de MAC-waarden is geweest, maar wel komt vast te staan of aannemelijk is dat [eiser] tijdens zijn werkzaamheden voor [gedaagde] over een lange periode frequent in zeer hoge mate is blootgesteld geweest aan organische oplosmiddelen (zogenaamde piekconcentraties), die blootstelling aan piekconcentraties ziekteverschijnselen bij [eiser] heeft veroorzaakt die gezamenlijk als CTE moeten worden geduid. Dit laatste ondanks het feit dat de bestaande literatuur geen reden geeft om te veronderstellen dat er bij een gemiddelde blootstelling onder de toegestane MAC-waarden gevaar bestaat voor het ontstaan van CTE.
2.4. In dit verband zijn het overgelegde rapport van IndusTox d.d. 22 december 2003 (produktie 8 bij conclusie van antwoord), de notitie van IndusTox d.d. 14 oktober 2004 (produktie 11 bij de antwoordconclusie na comparitie van partijen), de evaluatie d.d. 2 mei 2006 van ir. J. Verwoert (produktie 20 bij conclusie na deskundigenbericht), en de reactie daarop van IndusTox d.d. 20 juli 2006 (produktie 15 bij antwoordconclusie na deskundigenbericht) van belang.
Naar aanleiding van het door beide partijen gedane verzoek om het door de andere partij overgelegde stuk buiten beschouwing te laten, merkt de kantonrechter op dat daartoe geen enkele reden is. Geen van partijen is "te laat" met het in het geding brengen van een van die stukken.
2.5. IndusTox concludeert in het rapport van 22 december 2003 (dat aan de deskundigen bij hun onderzoek bekend was) dat de geschatte gemiddelde 8-uurs concentratie oplosmiddelendampen die [eiser] in de periode 1976-1997 heeft ingeademd 15% bedraagt van de gesommeerde MAC-waarde, en dat de berekende huidopname beperkt is (aceton, tolueen) tot verwaarloosbaar (overige solventen). Voorts concludeert IndusTox dat voor deze casus de onzekerheidsmarge van de schatting niet groter is dan 0,25 tot 4 maal de geschatte waarde, en dat dit betekent dat in de periode 1976-1997 de gemiddelde 8-uurs concentratie aan organische oplosmiddelen in de ademzone van [eiser] met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid tussen 4 en 60% van de gesommeerde MAC-waarde heeft gelegen.
Deze beoordeling is uitgevoerd door een arbeidstoxicoloog/arbeidshygiënist en is gebaseerd op bestudering van gegevens in het dossier, een retrospectieve taakanalyse middels interviews met de bedrijfsleider de heer H. van Dijk, en oud-collega's A. Vorstenbosch, B. Saldan en N. Leerintveld, en meetgegevens van een uitgebreid brancheonderzoek naar de blootstelling aan oplosmiddelendampen bij de behandeling van metalen objecten, uitgevoerd door TNO in 1997.
Uit de onderzoeksopzet blijkt dat de beoordeling zich beperkt tot een schatting van de gemiddelde 8-uurs concentratie in de periode dat [eiser] bij [gedaagde] heeft gewerkt, en dat 'piekblootstelling' niet is beoordeeld omdat niet bekend is of en hoe een momentane hoge blootstelling bijdraagt aan het ontstaan en de ontwikkeling van CTE.
Voor het onderzoek is de periode dat [eiser] bij [gedaagde] heeft gewerkt verdeeld in drie tijdsblokken: 1976-1980, 1981-1986 en 1987-1997. De schatting van de gemiddelde 8-uurs concentratie oplosmiddelendampen in de ademzone van [eiser] als percentage van de gesommeerde 8-uurs MAC-waarde voor die perioden bedraagt respectievelijk 7%, 15% en 18%. Gemiddeld over de hele periode komt dat neer op 15%.
Over de onzekerheden in de beoordeling ten aanzien van de juistheid en volledigheid van de meetgegevens uit de literatuur en de informatie over de uitgevoerde werkzaamheden van de bemonsterde werknemers en de juistheid en volledigheid van de gegevens over de werkzaamheden en werkomstandigheden van [eiser], merkt IndusTox het volgende op: Bij de beoordeling van de blootstelling van [eiser] zijn gegevens van goed uitgevoerde en gedocumenteerde taakgerichte metingen bij Nederlandse metaalbewerkers uit 1997 gebruikt; door interviews met 3 oudcollega monteurs is gepoogd een juist en volledig beeld te krijgen van de werkomstandigheden van [eiser]. Bij uiteenlopende antwoorden is bij de beoordeling van de blootstelling van [eiser] telkens uitgegaan van de, in blootstellingstermen, meest ongunstige variant; de geschatte concentratie in de ademzone in de periode 1976-1997 is getoetst aan de MAC-waarden zoals die in 1997 golden. Dit resulteert in een overschatting van de geschatte blootstelling, uitgedrukt als percentage van de gesommeerde MAC, van [eiser], omdat de MAC-waarden voor bijvoorbeeld tolueen en xyleen tot 1975 aanzienlijk minder streng waren IndusTox merkt voorts op dat in het algemeen weinig bekend is over de juistheid en precisie van retrospectieve blootstellingsbeoordelingen, doch dat uit onderzoek naar de kwaliteit van schattingen uitgevoerd met het expert systeem EASE bekend is dat met dit systeem de daadwerkelijk gemeten concentratie in de werkatmosfeer tot een factor 4 kan worden onder- dan wel overschat. IndusTox acht de onzekerheidsfactor in deze casus niet groter dan 4, omdat goed gedocumenteerde taakgerichte meetgegevens uit de branche, uitgevoerd bij bedrijven die geselecteerd zijn op het gebruik van oplosmiddelrijke lakken en ontvetters, voorhanden zijn, voldoende informatie over de werkomstandigheden van [eiser] voorhanden is, en niet bekend is of de effectiviteit van de spuitwand bij [gedaagde] overeenkomt met die in de door TNO bemeten bedrijven. Om die reden heeft de gemiddelde 8-uurs concentratie aan organische oplosmiddelen in de ademzone van [eiser] met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid gelegen tussen 4 en 60% van de gesommeerde MAC-waarden, aldus IndusTox.
2.6. Bij de notitie van IndusTox van 14 oktober 2004 heeft zij de beschikbare aantekeningen en gespreksverslagen overgelegd. Dit betreffen de gesprekken die zijn gevoerd met de bedrijfsleider en drie oudcollega's van [eiser] bij [gedaagde]. Voorts heeft IndusTox in dit rapport betoogd dat het zeer aannemelijk is dat [eiser] ook tijdens zijn werkzaamheden in machinekamers of als onderhoudsmonteur van vrachtwagens, voorafgaand aan zijn dienstverband bij [gedaagde], is blootgesteld aan oplosmiddelen en/of -dampen.
2.7. In zijn evaluatie d.d. 2 mei 2006 van het IndusTox-rapport heeft ir. J. Terwoert, als arbeidshygiënist verbonden aan IVAM UvA, kort weergegeven, onder meer het volgende betoogd.
- De variatie in blootstelling tussen verschillende medewerkers die dezelfde functies en taken uitoefenen kan zeer groot zijn. Onderzoek wijst uit dat binnen een 'homogene expositiegroep' de blootstelling een factor 10 uiteen kan lopen, zodat men bij het schatten van de historische blootstelling in individuele gevallen niet kan uitgaan van zoiets als "de gemiddelde blootstelling" in een bepaalde branche. Factoren als de individuele werkwijze en de exacte taakverdeling tussen de medewerkers blijken een zeer groot effect te kunnen hebben op de blootstelling. IndusTox is in haar rapport teveel uitgegaan van gemiddelde cijfers. Zij heeft geen aandacht besteed aan de grootte van de range in de meetwaarden. Zo zijn tijdens het spuiten voor een spuitwand concentraties tot 3 maal de MAC-waarde gemeten en zijn tijdens het reinigen van de spuitapparatuur concentraties tot 7 maal de MAC-waarde gemeten. Deze range in de gegevens overziend zou de werkelijke blootstelling van [eiser] wel eens aanzienlijk hoger hebben kunnen liggen dan 15% van de norm.
- Er zijn steeds sterkere aanwijzingen dat CTE kan ontstaan bij blootstelling beneden de gehanteerde grenswaarden. Daarbij spelen de individuele verschillen in gevoeligheid een rol. Voorts kunnen, ook wanneer de gemiddelde concentratie over de gehele dag beneden de grenswaarden ligt, kortdurende, hoge piekblootstellingen boven de grenswaarden optreden. Met name wanneer deze kortdurende hoge piekblootstellingen aanleiding geven tot directe effecten (duizeligheid, dronken gevoel, hoofdpijn) bestaat de verwachting dat blijvende schade kan ontstaan. De Gezondheidsraad heeft in 1999 in het rapport 'Piekblootstelling aan organische oplosmiddelen' geconcludeerd dat het waarschijnlijk is dat er een verband bestaat tussen piekblootstelling aan organische oplosmiddeldampen en de ontwikkeling van CTE, hoewel een verklarend biologisch mechanisme voor dit verband ontbreekt. Het is aannemelijk dat [eiser] veelal verschillende piekblootstellingen per dag heeft ondervonden. IndusTox heeft de kortdurende piekconcentraties niet meegewogen. Het is een belangrijke omissie dat IndusTox de (cumulatieve) effecten van hoge piekblootstellingen, anders dan op hun bijdrage aan een totale dagdosis, niet heeft meegewogen. Kortdurende hoge blootstellingen komen voor bij spuitwerkzaamheden, het ontvetten van oppervlakken met oplosmiddelen, het overgieten, aftappen of mengen van oplosmiddelhoudende producten, het handmatig reinigen van spuitapparatuur etc. Bij dergelijke werkzaamheden zijn geregeld concentraties gemeten van 2 tot 10 maal de MAC-waarden.
- Voor het bepalen van de onzekerheidsfactor is IndusTox naar eigen zeggen uitgegaan van de meest ongunstige variant van conflicterende informatie. Dat blijkt echter niet uit hun blootstellingsbeoordeling. Onder meer heeft [eiser] aangegeven ook al in de periode 1975-1980 spuitwerk te hebben verricht, hetgeen niet door IndusTox is meegenomen.
- De blootstelling aan oplosmiddelen vóór 1975 is waarschijnlijk laag geweest. Pas vanaf 1980 zijn bij [eiser] blijvende gezondheidsklachten ontstaan. Voor de periode 1975-1980 geeft [eiser] aan dat zich regelmatig acute effecten hebben voorgedaan, zoals misselijkheid en draaierigheid. Als zich in de voorgaande periode eveneens een hoge blootstelling zou hebben voorgedaan, zouden er eerder blijvende gezondheidsklachten moeten zijn opgetreden. Voorts is het onwaarschijnlijk dat [eiser] als keteljongen/olieman in de scheepvaart en als onderhoudsmonteur veel met vluchtige producten heeft gewerkt. Werkzaamheden als verfspuiten staan in de arbeidshygiënische wereld daarentegen bekend als werkzaamheden waarbij de hoogste blootstellingen aan oplosmiddelen voorkomen.
2.8. IndusTox heeft in haar notitie d.d. 20 juli 2006 daarop, kort weergegeven, onder meer als volgt gereageerd.
- Anders dan door IVAM gesuggereerd beïnvloeden de hoogste en laagste meetuitkomsten wel degelijk de door IndusTox gebruikte gemiddelde waarde. Door uit te gaan van de gemiddelde meetuitkomsten loopt men het risico dat de blootstelling van [eiser] wordt onderschat (bijvoorbeeld als hij viezer werkt of viezer werk heeft verricht dan de gemiddelde bemeten werknemer) of overschat. Mede om deze reden hanteert IndusTox een ruime onzekerheidsmarge voor de schatting van de gemiddelde blootstelling van [eiser]. Voorts heeft IndusTox de bovengrens van de door oudcollega's geschatte duur van de werkhandelingen met oplosmiddelenblootstelling, ofwel de meest ongunstige variant, gehanteerd bij haar schattingen.
- Het is reeds lang bekend dat piekblootstelling aan oplosmiddelen kan leiden tot acute, direct optredende effecten als misselijkheid en dronkenschap. Deze effecten zijn echter reversibel en verdwijnen snel na de blootstelling. Bij [eiser] gaat het om vermeende irreversibele chronische CTE-effecten. IndusTox heeft de piekbelasting van [eiser] niet apart beoordeeld omdat niet bekend is of en hoe een momentane hoge blootstelling bijdraagt aan het ontstaan en de ontwikkeling van CTE. Hierdoor ontbreekt een wetenschappelijk kader waarmee gegevens over piekblootstelling kunnen worden geïnterpreteerd tegen de achtergrond van het ontstaan van CTE. IndusTox gebruikt bij haar beoordeling resultaten van uitgebreide taakgerichte metingen uitgevoerd door TNO. Het betreft luchtmonsters genomen tijdens werkhandelingen, zoals bijvoorbeeld spuiten, waarbij gedurende de meetduur ongetwijfeld sprake is geweest van sterk fluctuerende concentraties. Als er piekblootstellingen hebben plaatsgevonden bij deze werkhandelingen, hebben die ook bijgedragen aan de door TNO gemeten concentraties oplosmiddelendampen. De suggestie dat piekblootstellingen niet zijn meegenomen in de beoordeling is derhalve onjuist. De opmerkingen van de Gezondheidsraad ten aanzien van een mogelijk verband tussen piekblootstelling en het ontstaan van CTE zijn omstreden.
- De zogenaamde hazard datasheets on occupation, mede opgesteld door de International Labour Organisation, melden dat zowel bij 'ship-engineer' (machinist) en 'mechanic, automobile' sprake is van 'hazards' als gevolg van blootstelling aan oplosmiddelen.
2.9. De Gezondheidsraad vermeldt in haar in 1999 uitgebrachte rapport 'Piekblootstelling aan organische oplosmiddelen' (produktie 15 bij antwoordconclusie na deskundigenbericht) onder meer het volgende:
p. 10: "De algemene conclusie in het TNO-rapport bevestigt dat er geen gegevens zijn die specifiek de relatie tussen piekblootstelling aan oplosmiddeldampen en het ontstaan van chronische neurotoxische effecten zoals CTE kunnen verklaren."
p. 28: "In het TNO-rapport wordt geconstateerd dat er vrijwel geen specifiek onderzoek is gedaan naar de relatie tussen fluctuerende blootstelling of piekblootstelling aan oplosmiddelen en het optreden van acute of chronische neurotoxicologische effecten, inclusief CTE.
De gegevens over de arbeidsomstandigheden laten zien dat regelmatige pieken optreden, met concentraties die kunnen oplopen tot zelfs tienmaal de MAC-waarde, afhankelijk van het soort werk en de beschermingsmaatregelen. Dit wordt bevestigd door uitlatingen van betrokkenen die werden opgetekend tijdens het epidemiologisch onderzoek.
De gegevens over de gevolgen van lijmsnuiven, waarbij verzadigingsconcentraties in het bloed en hersenen worden bereikt, wijzen op een relatie tussen de euforische en narcotische effecten van acute blootstelling en het optreden van chronische neurologische defecten."
p. 35: "De gegevens die de commissie ter beschikking staan, maken het aannemelijk dat piekblootstelling aan enkelvoudige oplosmiddelen of aan oplosmiddelmengsels een belangrijke rol speelt bij het ontstaan van CTE. Een wetenschappelijk bewijs kan zij echter niet leveren."
2.10. In deze zaak staat, op basis van de niet weersproken stukken van het geding, waaronder de notities van de interviews die door IndusTox zijn afgenomen van de werknemers van [gedaagde], onder meer het volgende vast.
[eiser] is van 1975 tot 1997, derhalve een periode van ruim 21 jaar, in dienst geweest bij [gedaagde]. Hij heeft van 1975, althans in ieder geval vanaf eind jaren '70, tot 1997 meerdere dagen per week (verf)spuitwerkzaamheden verricht voor [gedaagde]. De werkzaamheden omvatten onder meer ook het schoonmaken van de spuitapparatuur met oplosmiddelen. Aanvankelijk vonden de spuitwerkzaamheden plaats in de montagehal waarin ook gewerkt werd. Van 1980 tot 1986 vonden de spuitwerkzaamheden plaats achter een spuitwand. De gespoten produkten werden in de montagehal te drogen gelegd. Vanaf 1986 vonden de spuitwerkzaamheden plaats in de oude hal en werd gewerkt in de nieuwe hal. In 1988 is de spuitcabine verbreed. Vanaf 1997 is een nieuwe spuitcabine in gebruik genomen. Tot ongeveer 1995 was de thinner in de werkplaats beschikbaar in blikken, welke vaak openstonden omdat de thinner gebruikt moest worden. Vanaf ongeveer 1995 waren de oplosmiddelen beschikbaar in een gesloten drukpompsysteem.
Bij haastklussen werd thinner toegevoegd aan de lak ten behoeve van een snelle droging.
[eiser] was een snelle en gedreven werker. Hij zette de spuitmond vaak op een brede stand, hetgeen veel nevel opleverde. [eiser] droeg bij de spuitwerkzaamheden geen mondkapje of andere bescherming tegen inademing van de spuitnevel.
Na het spuiten van de produkten was [eiser] vaak draaierig en misselijk. Deze klachten verdwenen steeds kort na het stoppen met spuiten. In de loop van de jaren '80 kreeg [eiser] onder meer klachten van vergeetachtigheid, onoplettendheid, verminderde concentratie en desoriëntatie. In 1997 is hij wegens deze klachten volledig arbeidsongeschikt geraakt.
2.11. Op grond van deze feiten moet aannemelijk worden geoordeeld dat [eiser] gedurende een groot aantal van de jaren dat hij voor [gedaagde] heeft gewerkt zeer regelmatig blootgesteld is geweest aan piekconcentraties van oplosmiddelen. Uit het in 1997 door TNO uitgevoerde brancheonderzoek waarvan IndusTox voor haar rapport gebruikt maakt, blijkt dat de concentraties oplosmiddelendampen in de ademzone van een werknemer tijdens het spuiten en het schoonmaken van de spuitapparatuur vele malen de gesommeerde MAC-waarden overstijgen, tot zeven maal de (in 1997 geldende) MAC-waarde (vide tabel 5 van het rapport van IndusTox d.d. 22 december 2003). Omdat [eiser] de spuitmond vaak breed zette, zodat veel nevel ontstond, en hij geen bescherming tegen inademing van de spuitnevel droeg, moet aannemelijk geacht worden dat de blootstelling van [eiser] aan piekconcentraties oplosmiddeldampen zeer groot was. De acute verschijnselen die [eiser] vertoonde, zoals draaierigheid en misselijkheid, wijzen daar ook op, zoals door de neuroloog en de neuropsycholoog in hun rapport aangegeven.
2.12. Op grond van hetgeen IndusTox in haar notities heeft aangegeven moet worden aangenomen dat zij in de door haar getrokken conclusies ten aanzien van de gemiddelde blootstelling van [eiser] aan oplosmiddelen, piekblootstellingen wel heeft meegewogen in die gemiddelden, doch de effecten daarvan niet apart heeft beschouwd. Veronderstellenderwijze ervan uitgaande dat voldoende onderbouwd en juist is de conclusie van IndusTox dat de gemiddelde blootstelling aan oplosmiddelen van [eiser] tijdens de jaren dat hij voor [gedaagde] werkzaam was, onder de gesommeerde MAC-waarden ligt, is daarmee nog niets gezegd over de mogelijke gevolgen van de frequente blootstelling van [eiser], gedurende een groot aantal jaren, aan piekconcentraties van oplosmiddelen, die ver uitgingen boven de toegestane MAC-waarden.
2.13. Al het vorenoverwogene in aanmerking genomen, waaronder:
- de in dit geval vaststaande feiten ten aanzien van de werkzaamheden van [eiser] bij [gedaagde], de wijze waarop hij deze verrichtte, en het aantal jaren dat hij deze heeft verricht;
- de overwegingen en de conclusies van de neuroloog en de neuropsycholoog in het deskundigenrapport;
- de overwegingen van de psychiater in het deskundigenrapport, waar deze opmerkt dat het door hem overwogene niet wegneemt dat de geheugenklachten en de moeheid een causaal verband kunnen hebben met blootstelling aan te hoge concentraties oplosmiddelen, maar dat dat niet noodzakelijkerwijs het geval is, en dat weliswaar niet aangetoond is dat het herhaaldelijk kortdurend blootgesteld zijn aan piekconcentraties een relevante factor is, maar dit ook niet geheel kan worden uitgesloten;
- de hiervoor weergegeven opmerkingen van ir. J. Terwoert; en
- de hiervoor vermelde conclusies van de Gezondheidsraad in haar rapport van 1999;
is de kantonrechter van oordeel, dat het mogelijk is dat blootstelling van [eiser] aan piekconcentraties van oplosmiddelen gedurende een groot aantal jaren, tijdens zijn werkzaamheden voor [gedaagde], bij hem CTE heeft veroorzaakt, en derhalve dat het aannemelijk is dat [eiser] lijdt aan gezondheidsklachten welke door blootstelling aan oplosmiddelen gedurende zijn werkzaamheden voor [gedaagde] kunnen zijn veroorzaakt.
2.14. Daarbij is eveneens in aanmerking genomen dat het, mede gelet op de hiervoor weergegeven oordelen van de neuroloog en de neuropsycholoog en hetgeen ir. Terwoert heeft opgemerkt, onvoldoende aannemelijk is dat de klachten van [eiser] zijn veroorzaakt door werkzaamheden die hij heeft verricht voordat hij bij [gedaagde] in dienst kwam.
Uit de door [eiser] bij conclusie na comparitie overgelegde bescheiden blijkt, voor zover relevant, het volgende. [eiser] is van 1962 tot 1964 in dienst geweest van de Nederlandse Scheepvaart Maatschappij als keteljongen, poetser en olieman. Van 1966 tot 1969 is hij als hulpmachinist, onderhoudsmonteur en tankenist in dienst geweest van een melkproductenfabriek. Van 1970 tot 1975 is hij in Zuid-Afrika werkzaam geweest als onderhoudsmonteur van dieselvoertuigen.
Uit de bij de notitie van IndusTox d.d. 14 oktober 2004 gevoegde bijlagen - de International Hazard Datasheets on Occupation voor Shipengineer (machinist) en Mechanic, automobile - blijkt dat er verschillende 'chemical hazards' voor deze beroepen bestaan. Niet uitgesloten is dat [eiser] ook in de genoemde functies in aanraking is geweest met oplosmiddelen. Zoals opgemerkt in het rapport van Ir. Terwoert, en zoals blijkt uit de ziektegeschiedenis van [eiser] (weergegeven in het rapport van de deskundigen), zijn bij [eiser] echter eerst na 1980 blijvende gezondheidsklachten ontstaan. Aannemelijk is dat, als zich in de periode voor 1975 ook relevante blootstelling aan oplosmiddelen zou hebben voorgedaan, er eerder blijvende gezondheidsklachten zouden zijn opgetreden. Bovendien is niet weersproken dat bij de werkzaamheden als verfspuiter in het algemeen een zeer grote blootstelling aan oplosmiddelen plaatsvindt en is voldoende aannemelijk dat bij deze werkzaamheden - zeker op de wijze waarop [eiser] deze verrichtte - ook een veel grotere blootstelling aan oplosmiddelen heeft plaatsgevonden dan bij die van voormelde beroepen van [eiser] vóór 1975.
2.15. Gelet op voormelde oordelen moet het oorzakelijk verband tussen de schade die [eiser] aan zijn gezondheid ondervonden heeft en ondervindt, zoals deze door de deskundigen is vastgesteld, en de door hem voor [gedaagde] verrichte werkzaamheden worden aangenomen, tenzij [gedaagde] bewijst dat zij de maatregelen heeft genomen die redelijkerwijze nodig zijn om te voorkomen dat [eiser] in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade zou lijden.
2.16. [gedaagde] heeft aangevoerd dat zij altijd veiligheidsmiddelen waaronder mondkapjes/filters, handschoenen en beschermende bedrijfskleding ter beschikking heeft gesteld aan haar werknemers, en dus aan [eiser], en dat zij steeds die maatregelen heeft genomen die in de branche gebruikelijk waren teneinde haar werknemers de noodzakelijke bescherming te bieden.
[gedaagde] heeft voorts aangevoerd dat [eiser] het niet zo nauw nam met de betreffende veiligheidsmaatregelen en het dragen van beschermingsmiddelen. [eiser] droeg bij het spuitwerk geen bescherming, ondanks het feit dat hij daarop door zijn collega's is aangesproken. Voorts had [eiser] de gewoonte de verfspuit op een brede stand te zetten, waardoor veel verfverlies plaatsvond en veel nevel ontstond. [gedaagde] heeft aangevoerd dat een werkgever niet altijd in de nabijheid van een werknemer kan verkeren om te wijzen op de noodzaak van het dragen van dergelijke beschermingsmiddelen. Binnen het bedrijf was echter ruim aandacht voor het belang van het dragen van beschermingsmiddelen en worden werknemers ook geïnstrueerd deze maatregelen zorgvuldig na te leven, aldus [gedaagde]. Volgens haar dienen de eventuele gevolgen van het niet dragen van beschermingsmiddelen voor eigen rekening en risico van [eiser] te blijven.
2.17. Veronderstellenderwijze aangenomen - [eiser] heeft dat betwist - dat [gedaagde] beschermingsmiddelen als mondkapjes/filters en dergelijke aan haar werknemers heeft aangeboden en dat de aanvankelijke afwezigheid van een gesloten spuitcabine en de aanpassingen die hebben plaatsgevonden aan de afzuigvoorzieningen op de werkplek in overeenstemming zijn met de destijds bestaande inzichten en stand van de techniek, is de vraag aan de orde of het feit dat [eiser] tijdens de spuitwerkzaamheden geen beschermingsmiddelen gebruikte en dat hij de spuitmond breder placht te zetten, zodat veel spuitnevel ontstond, de verantwoordelijkheid van [gedaagde] betreffen of die van [eiser] zelf.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat de collega's van [eiser] hem op het niet dragen van beschermingsmiddelen hebben aangesproken, maar dat hij deze niettemin weigerde te dragen. De directie en bedrijfsleiding hebben [eiser] daar kennelijk nimmer op aangesproken. Voorts is hij kennelijk evenmin aangesproken op het breder zetten van de spuitmond.
Als uitgangspunt heeft te gelden dat het voor een werkgever niet volstaat om adequate beschermingsmiddelen aan de werknemers ter beschikking te stellen, maar dat hij er ook op dient toe te zien dat deze (op de juiste wijze) worden gebruikt. Tevens dient de werkgever erop toe te zien dat de apparatuur waarmee de werknemer het werk verricht op de juiste wijze wordt gebruikt. Niet voldoende is dat een werknemer door zijn collega's wordt aangesproken op het dragen van beschermingsmiddelen. De werkgever mag er niet vanuit gaan dat collega's dat doen en het volstaat ook niet om het door hem uit te oefenen toezicht daarop over te laten aan collega's van de werknemer door deze de werknemer daarop te laten aanspreken. Het (dringende) advies van een collega wordt gemakkelijk in de wind geslagen. Het negeren van de opdracht van de werkgever om de beschermingmiddelen te dragen kan daarentegen leiden tot maatregelen, welke uiteindelijk zullen kunnen leiden tot schorsing en beëindiging van het dienstverband. Het (directe) toezicht van de werkgever op het dragen van de beschermingsmiddelen zal daarom waarschijnlijk wel het gewenste effect sorteren.
[gedaagde] heeft verzuimd om erop toe te zien dat [eiser] de beschermingsmiddelen droeg. De omstandigheid dat een werkgever niet altijd in de nabijheid van een werknemer kan verkeren om te wijzen op de noodzaak van het dragen van beschermingsmiddelen kan niet afdoen aan de verplichting van [gedaagde] erop toe te zien dat [eiser] de beschermingsmiddelen gebruikte. Daarvoor is ook niet nodig dat de werkgever altijd in de nabijheid van de werknemer verkeert; er zijn wegen en middelen om dat toezicht op andere wijze effectief vorm te geven. Niet gesteld of gebleken is dat in het onderhavige geval (effectief) toezicht op het dragen van beschermingsmiddelen door [eiser] onmogelijk was.
[gedaagde] is aldus tekortgeschoten in haar zorgplicht jegens [eiser], in haar plicht om de maatregelen te nemen die redelijkerwijze nodig waren om te voorkomen dat [eiser] in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade zou lijden.
Eenzelfde conclusie heeft te gelden voor het zetten van de spuitmond in een bredere stand. Dat was kennelijk bekend in het bedrijf. [gedaagde] heeft erop dienen toe te zien dat de spuitmond bij het spuiten in een juiste, op de omstandigheden aangepaste stand stond.
2.18. [gedaagde] is daarom aansprakelijk voor de schade die [eiser] als gevolg van het werken met oplosmiddelen tijdens het dienstverband met haar heeft geleden en lijdt. De gevorderde verklaring voor recht is derhalve toewijsbaar, als na te melden.
Daar aannemelijk is dat [eiser] schade heeft geleden als gevolg van het tekortschieten van [gedaagde] in haar verplichtingen jegens [eiser], is eveneens toewijsbaar de vordering tot schadevergoeding, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Hoewel iets gezegd kan worden voor de stelling van [gedaagde] dat de schade in deze procedure kan worden begroot, zal niettemin naar de schadestaatprocedure worden verwezen, aangezien het begroten van de schade nadere inlichtingen en berekeningen vereist, met mogelijk nieuwe debatten tussen partijen, zodat de procedure - die al lang duurt - vermoedelijk nog een behoorlijke tijd langer zal gaan duren, terwijl niet uitgesloten kan worden geacht dat [gedaagde] in hoger beroep zal willen gaan, hetgeen dan maar het beste zo snel mogelijk kan plaatsvinden, omdat het belang van [eiser] om tenminste een deel van een schadevergoeding te ontvangen steeds groter wordt naarmate de tijd verstrijkt. Bovendien kan niet uitgesloten worden geacht dat, als de aansprakelijkheid van [gedaagde] definitief komt vast te staan, partijen in overleg met de verzekeraar van [gedaagde] tot vaststelling van het schadebedrag zullen kunnen komen.
2.19. [eiser] heeft toewijzing van een voorschot op de schadevergoeding gevorderd van € 75.000,-. Het verlies aan arbeidsvermogen over de periode van 1 januari 1998 tot 1 januari 2003 heeft hij berekend op € 41.506,-. De (toekomstige) schade, berekend vanaf 1 januari 2003 tot aan het bereiken van de 65-jarige leeftijd, moet nog worden berekend. Voorts acht [eiser] een immateriële schadevergoeding passend ten bedrage van € 50.000,-. De wettelijke rente daarover tot 13 september 2003 bedraagt € 29.526,40. Daarnaast stelt [eiser] nog reis- en verblijfkosten en telefoonkosten ad € 499,80 en eigen bijdragen voor diverse behandelingen van in totaal € 472,50 te hebben moeten maken. De schade in verband met toekomstige behandelingen moet op ongeveer € 4.200,- worden geschat, aldus [eiser]. Voorts is [gedaagde] aan buitengerechtelijke kosten € 1.542,- verschuldigd, aldus [eiser].
2.20. Terecht voert [gedaagde] aan dat een bruto inkomensschade wordt gevorderd, waar deze netto behoort te worden berekend. Aannemelijk is dat [eiser] ter zake verlies van arbeidsvermogen tot 1 januari 2003 schade heeft geleden van ten minste € 25.000,- netto en dat de schade op dit punt thans verder is opgelopen. Tevens is aannemelijk, in aanmerking genomen de door de neuroloog en de neuropsycholoog vastgestelde beperkingen die [eiser] ondervindt met betrekking tot het verrichten van loonvormende arbeid en met betrekking tot zijn privé-leven, dat [eiser] een immateriële schadevergoeding toekomt van ten minste € 12.000,-. Voorts is aannemelijk dat [eiser] ter zake overige kostenposten, inclusief buitengerechtelijke kosten, tot de dag van dagvaarding - 12 september 2003 - schade heeft geleden van ten minste € 2.000,-. Verder is aannemelijk dat [eiser] (enige) schade heeft geleden in de vorm van renteverlies.
Voldoende aannemelijk is aldus dat [eiser] een schadevergoeding van tenminste € 40.000,- toekomt. Dit bedrag is toewijsbaar bij wijze van voorschot.
2.21. [gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure, inclusief de kosten van het deskundigenbericht ad € 11.889,60. Nu [gedaagde] het voorschot voor de deskundigen heeft betaald, behoeft op dit punt niets te worden verrekend.
3. Werkgever aansprakelijk voor schade schildersziekte (OPS): de beslissing
De kantonrechter:
verklaart voor recht dat [gedaagde] jegens [eiser] aansprakelijk is voor de schade die hij heeft geleden, lijdt en nog zal lijden als gevolg van het werken met oplosmiddelen bij [gedaagde];
veroordeelt [gedaagde] tot vergoeding van deze schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] bij wijze van voorschot te betalen de somma van € 40.000,-;
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 3.771,16, waarvan € 81,16 wegens explootkosten, € 190,- wegens bij de sector kanton verschuldigd griffierecht en € 3.500,- als bijdrage in het salaris van de gemachtigde;
verklaart dit vonnis, waar het de veroordelingen tot betaling betreft, uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Aldus gewezen door mr. J.H. Wiggers, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 december 2006.
Wat is letselschade precies?
Mensen kunnen op verschillende manieren letsels oplopen. Een verkeersongeluk, medische fout, ongeval op het werk, een misdrijf, een onjuist geproduceerd product, gebeten door een beest, beroepsziekte, noem maar op. Letsels door de schuld van anderen. Schade die u wilt verhalen op degene die daar verantwoordelijk voor is. Als u er onderling niet uit komt dan is een letselschade procedure bij de rechtbank onvermijdelijk. Een procedure die soms wel jaren in beslag kan nemen. Het gaat daarbij niet alleen om een schadevergoeding voor de materiele schade maar ook om een vergoeding voor immateriële schade. Vergoeding van persoonlijk leed en verdriet noemt men smartengeld. In een procedure bij de rechtbank kan het eisen van schadevergoeding en smartengeld wel wat tijd in beslag nemen. In een procedure bij de rechtbank moet u wel bewijzen dat de letselschade wel door een ander is veroorzaakt. Dit betekent bonnetjes, facturen, brieven en memo’s bewaren.
Welke kosten vallen allemaal onder letselschade?
Welke kosten kunnen naast smartengeld allemaal naar voren gebracht worden in een procedure bij een rechtbank? Allereerst natuurlijk uw ziektekosten. Hierbij kunt u denken aan kosten die niet verzekerd zijn als alternatieve geneeswijze of fysiotherapie. Maar ook ziektekosten die u in de toekomst gaat maken en het verlies van uw eigen risico bijvoorbeeld. Allerlei reiskosten van ritjes naar het ziekenhuis tot de aanschaf van een nieuwe auto waar uw nieuw rolstoel in kan. Huishoudelijke hulp, reiskosten van familie, telefoonkosten, etc. Maar ook kosten omdat u uw werk niet meer kunt doen als voorheen en daardoor allerlei voordeeltjes mist als salarisverhogingen, bonussen, vakantiegeld, enzovoort. Eigenlijk al die kosten die extra gemaakt moeten worden vanwege uw letsel. Heeft u bij een procedure bij de rechtbank een letselschade advocaat nodig. Ja, die heeft u nodig. Alleen een advocaat kan uw zaak voor de rechter brengen. Het is wel zo dat de meeste letselschade dossiers niet voor de rechter worden gebracht. Daar wordt onderling uitgekomen. Een jurist met kennis van zaken is dan wel onontbeerlijk.