Letselschade Letsel en schade Letsel No cure no pay Naar de advocaat Ons forum Uitspraken Letselschadevergoeding Adres advocaten

Werkgever aansprakelijk voor schade schildersziekte (OPS)


Baas aansprakelijk voor schade schildersziekte (OPS)


Uitspraak werkgeversaansprakelijkheid door rechtbank 's-Hertogenbosch over aansprakelijkheid werkgever voor schade opgelopen door schildersziekte (OPS). Op grond van de feiten moet aannemelijk worden geoordeeld dat eiser gedurende een groot aantal van de jaren dat hij voor gedaagde heeft gewerkt zeer regelmatig blootgesteld is geweest aan zeer grote piekconcentraties van oplosmiddelen. Het oorzakelijk verband tussen de schade die eiser aan zijn gezondheid ondervonden heeft en ondervindt, zoals deze door de deskundigen is vastgesteld, en de door hem voor gedaagde verrichte werkzaamheden moet worden aangenomen, tenzij gedaagde bewijst dat zij de maatregelen heeft genomen die redelijkerwijze nodig zijn om te voorkomen dat eiser in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade zou lijden. De werkgever dient erop toe te zien dat de apparatuur waarmee de werknemer het werk verricht op de juiste wijze wordt gebruikt. Niet voldoende is dat een werknemer door zijn collega's wordt aangesproken op het dragen van beschermingsmiddelen. Gedaagde heeft verzuimd om erop toe te zien dat eiser de beschermingsmiddelen droeg. Gedaagde is aldus tekortgeschoten in haar zorgplicht jegens eiser, in haar plicht om de maatregelen te nemen die redelijkerwijze nodig waren om te voorkomen dat eiser in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade zou lijden. Gedaagde is daarom aansprakelijk voor de schade die eiser als gevolg van het werken met oplosmiddelen tijdens het dienstverband met haar heeft geleden en lijdt.

1. Werkgever aansprakelijk voor schade schildersziekte (OPS): de procedure

Eiser heeft bij dagvaarding gesteld en gevorderd als na te melden. Gedaagde is in rechte verschenen en heeft een conclusie van antwoord genomen. Vervolgens is een comparitie na antwoord bepaald, welke heeft plaatsgevonden op 7 juni 2004. Daarop heeft eiser een conclusie na comparitie van partijen genomen, waarna gedaagde een antwoordconclusie na comparitie van partijen heeft genomen. Tenslotte heeft eiser nog een akte genomen. Daarna is vonnis bepaald. Onder de genoemde processtukken bevinden zich tevens de in die stukken nader aangeduide producties. Partijen zullen verder worden aangeduid als '[eiser]' en '[gedaagde]'.

2. Werkgever aansprakelijk voor schade schildersziekte (OPS): het geschil

2.1. [eiser] vordert:

-

te verklaren voor recht dat [gedaagde] jegens [eiser] aansprakelijk is voor de schade die voor hem het gevolg is van de toxische encefalopathie, opgelopen als gevolg van het werken met oplosmiddelen bij [gedaagde];

-

[gedaagde] te veroordelen tot vergoeding van die schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

-

[gedaagde] te veroordelen om bij wijze van voorschot aan [eiser] te betalen de somma van € 75.000,-;

-

met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.

[eiser] legt daaraan, kort weergegeven, het volgende ten grondslag. [eiser], geboren op [1945], is van 1975 tot 1997 bij [gedaagde] werkzaam geweest. Van 1975 tot 1987 was hij hoofd van de afdeling. Tijdens zijn werk in dienst van [gedaagde] is [eiser] continu blootgesteld geweest aan oplosmiddelen. Hij heeft daardoor toxische encefalopathie, ofwel het organisch psychosyndroom (hierna "OPS") gekregen. In de periode dat hij bij [gedaagde] in dienst is geweest heeft [eiser] 3 tot 4 keer per week alle samengestelde machines met verf bespoten. Aangezien er regelmatig onder grote druk werd gewerkt, werd er thinner in de verf gedaan om het droogproces te versnellen. Ook alle schoonmaakwerkzaamheden werden verricht met behulp van thinner. Voorts werd veel gewerkt met het oplosmiddel van Akzo Nobel van Sikkens. Verder heeft hij regelmatig gewerkt met siliconen, waarmee motoren werden gevuld. De werkzaamheden werden verricht in een open werkplaats. Op deze werkplaats waren geen mondkapjes of mondmaskers aanwezig. Tot ongeveer 1980 werden de spuitwerkzaamheden gewoon in de werkplaats of buiten verricht. In 1980 werd in de fabriek een open spuitcabine met afzuiging gerealiseerd. Die afzuiging heeft echter altijd onvoldoende gefunctioneerd. In 1993 werd een nieuwe open spuitcabine gerealiseerd. Ook hierbij werd een afzuiginstallatie geplaatst die niet dan wel onvoldoende functioneerde. Bij windstilte en bij zachte zuidoosten wind werden de gevaarlijke stoffen via de afzuiger van de spuitcabine de werkplaats weer ingezogen. In 1997 is de spuitcabine vervangen. Overal in de werkplaats stonden open blikken thinner. In 1994 of 1995 werden er drukpompjes aangeschaft zodat de thinner niet meer open stond.

Het reinigen van onderdelen met een kwast of doek geschiedde met blote handen, nadat deze onderdelen waren ondergedompeld in thinner. Hierdoor drongen de schadelijke stoffen tevens door de huid van de handen het lichaam binnen. Na het voltooien van de werkzaamheden moesten de handen ook met thinner worden gereinigd. De gespoten machines lagen in de werkplaats te drogen. In 1987 heeft [eiser] zijn taken als leidinggevende beëindigd, aangezien hij allerlei klachten kreeg. Hij liet dingen vallen, werd vergeetachtig, werd agressief en kon niet meer slapen. Van 1975 tot 1980 had [eiser] klachten als maagpijn, maagzweren en een onregelmatige stoelgang. Na het spuiten van de machines was hij draaierig en misselijk. Vanaf 1980 ontstonden bij [eiser] ook geestelijke klachten. Onder meer kreeg hij geheugenproblemen. Voorts heeft hij al zo'n 20 jaar last van ernstige vermoeidheid, vaak gepaard met hoofdpijn. Verder heeft hij onder meer last van depressies, persoonlijkheidsstoornissen, agressie, slaapstoornissen, pijn in de maag en hartkloppingen. Op 4 maart 1997 is [eiser] definitief uitgevallen. Sedert die dag is hij volledig arbeidsongeschikt en derhalve ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 80-100%. Uit onderzoeksrapportages blijkt dat [eiser] lijdt aan OPS. Het ontstaan van deze ziekte bij [eiser] kan niet anders verklaard worden dan uit het contact met de vermelde stoffen. [gedaagde] is tekortgeschoten in de op haar rustende verplichtingen uit hoofde van artikel 7:658 BW. Dientengevolge heeft [eiser] schade geleden. [gedaagde] is daarvoor aansprakelijk. Het verlies aan arbeidsvermogen bedraagt tot 1 januari 2003 € 41.506,- bruto. Een immateriële schadevergoeding van € 50.000,- is op zijn plaats.

De wettelijke rente daarover tot 13 september 2003 bedraagt € 29.526,40. De door [eiser] gemaakte reis- en verblijfkosten bedragen € 499,80. De eigen bijdragen voor diverse behandelingen bedragen € 472,50. De buitengerechtelijke kosten bedragen € 1.542,-. [gedaagde] weigert haar aansprakelijkheid ter zake te erkennen.

2.2. [gedaagde] heeft, kort en onvolledig weergegeven, het volgende verweer gevoerd. [gedaagde] betwist dat er sprake is van OPS bij [eiser]. De zijdens [eiser] overgelegde rapporten geven onvoldoende steun aan de conclusie dat er sprake is van OPS bij [eiser]. De daartoe verrichte onderzoeken voldoen niet aan de daaraan te stellen eisen. Er wordt afgegaan op de anamnese van [eiser] zonder dat (voldoende) onderzoek is verricht naar de juistheid van de gegevens. Er is niet voldaan aan de inclusie- en exclusiecriteria, zoals deze zijn opgesteld in het "Protocol voor de Diagnostiek van OPS". Er wordt voorts slechts een waarschijnlijkheidsdiagnose gesteld. Indien er wel sprake is van medische klachten bij [eiser] die op OPS zouden wijzen, is er geen causaal verband met de werkomstandigheden bij [gedaagde]. [eiser] is bij [gedaagde] nimmer aan dusdanige concentraties organische oplosmiddelen of neurotoxische stoffen blootgesteld dat dit OPS heeft kunnen veroorzaken. Ook omstandigheden in de privésfeer en eerdere dienstbetrekkingen en nevenwerkzaamheden van [eiser] hebben tot de gestelde klachten kunnen leiden. Er heeft een reeks van traumatische gebeurtenissen in het leven van [eiser] plaatsgevonden. Mogelijk is er sprake van een posttraumatische stressstoornis.

[gedaagde] heeft steeds die maatregelen genomen die in de branche gebruikelijk waren teneinde haar werknemers, waaronder [eiser], de noodzakelijke bescherming te bieden. [gedaagde] heeft altijd veiligheidsmiddelen, waaronder mondkapjes/filters, handschoenen en beschermende bedrijfskleding ter beschikking gesteld aan haar werknemers. Vanaf eind jaren '70 is [gedaagde] kleinschalig begonnen met het spuiten van aandrijvingen. Hiervoor is toen een afzuigwand met filterdoek geïnstalleerd in de montageruimte. Midden in de jaren '80 namen de spuitwerkzaamheden toe en werd de ruimte afgebakend met wanden en voorzien van een grotere afzuigwand. De spuiter bevond zich in deze ruimte en had de beschikking over mondkapjes/filters. Gelijktijdig verhuisde de montage naar een andere hal. Midden in de jaren '90 namen de spuitwerkzaamheden verder toe en is een nieuwe cabine gebouwd met afzuigwand en hangbaan. [eiser] heeft het echter met de betreffende veiligheidsmaatregelen niet zo nauw genomen, zo blijkt uit verklaringen van oud-collega's van hem. [eiser] weigerde een bescherming te dragen bij het spuitwerk. Ook had hij volgens oud-collega's de gewoonte om, teneinde het werk snel te verrichten, de verfspuit op een brede stand te zetten, waardoor veel verfverlies plaatsvond en veel nevel ontstond. Dit ondanks de ruime aandacht die in het bedrijf was voor het belang van het dragen van beschermingsmiddelen en de instructies aan werknemers deze maatregelen zorgvuldig na te leven. [eiser] is de eerste en de enige montagewerknemer bij [gedaagde] tot op heden die arbeidsongeschikt is geraakt. [gedaagde] betwist dan ook dat zij uit hoofde van artikel 7:658 BW op enigerlei wijze is tekortgeschoten. Uit een rapport van IndusTox blijkt dat [eiser] gedurende het dienstverband bij [gedaagde] nimmer aan concentraties schadelijke stoffen boven de toegestane MAC-waarde is blootgesteld.

Indien zou komen vast te staan dat er sprake is van OPS bij [eiser] als gevolg van werkzaamheden bij [gedaagde], is van belang dat [eiser] buiten zijn werkzaamheden bij [gedaagde] ook is blootgesteld aan neurotoxische stoffen. [gedaagde] wijst daartoe op de voorliggende dienstverbanden van [eiser]. Subsidiair, voor het geval zou komen vast te staan dat [gedaagde] aansprakelijk is, betwist [gedaagde] de hoogte van de gestelde schade. Ook in dit verband is van belang dat er pre-existente klachten waren en dat blootstelling aan stoffen tijdens eerdere dienstverbanden en nevenactiviteiten heeft plaatsgevonden. Voorts wordt de gestelde omvang van het verlies aan arbeidsvermogen betwist en wordt erop gewezen dat een brutobedrag aan inkomensschade wordt gevorderd, in plaats van een nettobedrag. Tevens wordt de hoogte van de immateriële schadevergoeding en worden de overige schadeposten betwist.

2.3. Ter comparitie heeft de kantonrechter reeds als zijn voorlopig oordeel te kennen gegeven dat het noodzakelijk is een deskundigenbericht in te winnen teneinde meer duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of de medische klachten van [eiser] te wijten zijn aan het werken met oplosmiddelen, of deze klachten (ook) gerelateerd moeten worden aan andere oorzaken, en zo ja, in welke mate die klachten (ook) aan andere oorzaken moeten worden gerelateerd. Met de gemachtigden van partijen is afgesproken dat zij zich bij conclusie na comparitie zullen uitlaten over de eventueel te benoemen deskundigen en de aan hen voor te leggen vragen. Tevens is aan [eiser] verzocht nadere informatie te verschaffen omtrent de voor 1975 uitgeoefende functies en uitgevoerde werkzaamheden.

2.4. Hetgeen partijen voorts hebben aangevoerd zal, indien en voor zover relevant, in het navolgende aan de orde komen.

3. Werkgever aansprakelijk voor schade schildersziekte (OPS): de beoordeling

3.1. Als enerzijds gesteld en anderzijds niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de in het geding gebrachte producties, voor zover de inhoud daarvan niet is weersproken, staat tussen partijen onder meer het navolgende vast. [eiser], geboren op [1945], is van 1975 tot 1997 bij [gedaagde] werkzaam geweest. Van 1975 tot 1987 was hij hoofd van de afdeling. In 1987 heeft [eiser] zijn taken als leidinggevende beëindigd. Op 4 maart 1997 is [eiser] volledig arbeidsongeschikt geworden. Hij is ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 80-100%. Tijdens zijn dienstverband bij [gedaagde] heeft [eiser], onder meer, gedurende ongeveer 20 jaar veelvuldig verfspuitwerkzaamheden verricht en heeft hij veelvuldig gewerkt met thinner en andere oplosmiddelen.

3.2. In het onderhavige geval ligt het op de weg van [eiser] om te stellen en zonodig te bewijzen dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor [gedaagde], ofwel dat zijn medische klachten het gevolg zijn van het werken met verf en oplosmiddelen bij [gedaagde]. Het is aan [gedaagde] om te bewijzen dat zij aan haar zorgplicht jegens [eiser] heeft voldaan. Aan de stelplicht van [eiser] en het door hem te leveren bewijs moeten evenwel geen hoge eisen gesteld worden. Zoals overwogen staat vast dat [eiser] tijdens zijn dienstverband bij [gedaagde] gedurende ongeveer 20 jaar veelvuldig verfspuitwerkzaamheden heeft verricht en veelvuldig heeft gewerkt met thinner en andere oplosmiddelen. Voorts blijkt uit de zijdens [eiser] overgelegde stukken afdoende dat hij (in ieder geval) sinds 1997 lijdt aan (medische) klachten, welke hebben geleid tot zijn arbeidsongeschiktheid en dat deze klachten mogelijk samenhangen met het werken met oplosmiddelen. Indien vaststaat dat [eiser] schade aan zijn gezondheid heeft opgelopen die onomstotelijk althans (zeer) waarschijnlijk verband houdt met het werken met verf en oplosmiddelen en het mogelijk is dat deze schade als gevolg van de door hem bij [gedaagde] verrichte werkzaamheden is ontstaan, moet het oorzakelijk verband tussen die schade en het werk bij [gedaagde] worden aangenomen, tenzij [gedaagde] bewijst dat zij de maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat [eiser] in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade zou lijden.

3.3. Op grond van de overgelegde stukken staat evenwel niet onomstotelijk vast en is niet zonder meer (zeer) waarschijnlijk dat [eiser] lijdt aan OPS, althans dat zijn klachten herleidbaar zijn op het werken met oplosmiddelen dan wel neurotoxische stoffen. Dr. Ph. Scheltens, neuroloog, concludeert in zijn brief van 10 augustus 1998 (prod. 2 bij dagvaarding) dat hem de diagnose toxische encephalopathie klasse 2a gerechtvaardigd lijkt. Voorts blijkt uit de overgelegde stukken (onder andere het klinisch psychologisch rapport d.d. 18 juni 1997, produktie 7 bij conclusie van antwoord) dat [eiser] een reeks van traumatische gebeurtenissen in zijn leven heeft meegemaakt en dat het bestaan van een posttraumatische stressstoornis bij hem, welke tot een soortgelijk ziektebeeld kan leiden, mogelijk is, althans niet kan worden uitgesloten.

3.4. Nadere voorlichting door deskundigen ten aanzien van de vraag of de medische klachten van [eiser] kunnen of moeten worden geweten aan het werken met oplosmiddelen, is daarom nodig. Terecht wijst [gedaagde] er onder meer op dat daarbij de inclusie- en exclusiecriteria zoals vermeld in het Protocol voor de Diagnostiek van OPS in aanmerking dienen te worden genomen. De kantonrechter zal een deskundigenbericht gelasten. Partijen zijn het met elkaar eens dat het noodzakelijk is drie deskundigen te benoemen, namelijk een neuroloog, een neuro-psycholoog en een psychiater. Zij verschillen van mening ten aanzien van de te benoemen personen. Ten aanzien van de aan de deskundigen voor te leggen vragen stemmen zij grotendeels overeen, doch verschillen zij op enkele punten van mening. Dienaangaande wordt het volgende overwogen.

3.5. De kantonrechter is van oordeel dat het in het onderhavige geval de voorkeur verdient om deskundigen te benoemen die zijn verbonden aan een academisch ziekenhuis. [eiser] heeft geen te benoemen personen voorgesteld die aan een zodanig ziekenhuis zijn verbonden. [gedaagde] heeft wel zodanige personen voorgesteld. [eiser] heeft in zijn akte geen bezwaren genoemd tegen de zijdens [gedaagde] voorgestelde te benoemen personen. Om deze redenen zal de kantonrechter benoemen: de heer dr. E.R.P. Brunt, neuroloog, verbonden aan het Academisch Ziekenhuis te Groningen; de heer A.H. van Zomeren, neuro-psycholoog, hoofd van de neuropsychologische afdeling van het Academisch Ziekenhuis te Groningen; prof. dr. R.J. van den Bosch, psychiater, verbonden aan het Academisch Ziekenhuis te Groningen.

3.6. Wat de aan de deskundigen voor te leggen vragen betreft wordt het volgende overwogen. Het is naar het oordeel van de kantonrechter, mede gelet op het hiervoor onder 3.2. overwogene, aangewezen dat aan de deskundigen, in plaats van de vraag "waaruit bestaan de restklachten en/of restverschijnselen die op medische gronden in redelijkheid beschouwd kunnen worden als te zijn ontstaan door de werkzaamheden van [eiser] gedurende het dienstverband bij [gedaagde]", de vraag wordt voorgelegd welke de (rest)klachten of (rest)verschijnselen van [eiser] zijn die op medische gronden in redelijkheid beschouwd kunnen worden als te zijn ontstaan als gevolg van contact met oplosmiddelen althans neurotoxische stoffen.

3.7. Het spreekt vanzelf dat [eiser] alle medische informatie waarover hij beschikt aan de deskundigen ter beschikking dient te stellen en dat de deskundigen desgewenst nadere informatie van partijen moeten kunnen vragen en verkrijgen en dat de deskundigen overleg zullen kunnen voeren met elkaar en met andere deskundigen, indien en voor zover zij zulks noodzakelijk zullen achten. Daartoe is geen aparte vraag zoals door [gedaagde] als vraag 1 voorgesteld, noodzakelijk.

3.8. Terecht maakt [gedaagde] er bezwaar tegen dat er in de vraagstelling die door [eiser] wordt voorgesteld zonder meer van wordt uitgegaan dat er een zekere neurotoxische belasting in de werksituatie bij [gedaagde] heeft plaatsgevonden. Dat is wat te sterk geformuleerd. Zoals hiervoor overwogen staat thans slechts vast dat [eiser] tijdens zijn dienstverband bij [gedaagde] onder meer langdurig en veelvuldig verfspuitwerkzaamheden heeft verricht en heeft gewerkt met thinner en andere oplosmiddelen. Dat gegeven mag natuurlijk wel door de deskundigen worden gebruikt.

3.9. De vraag welke beperkingen [eiser] stelt te ondervinden in het dagelijks leven etc. (vraag 5a) behoeft, naast de overige vragen, niet uitdrukkelijk door de deskundigen te worden beantwoord. De door [gedaagde] voorgestelde vraag 5c zal evenmin aan de deskundigen worden voorgelegd, nu het antwoord op deze vraag door de deskundigen reeds (impliciet) dient te worden gegeven bij het beantwoorden van de andere vragen.

3.10. De kantonrechter zal daarom, mede in aanmerking genomen de vragen zoals die zijdens partijen zijn voorgesteld, de volgende vragen aan de deskundigen voorleggen:

1. Welke zijn uw bevindingen, naar aanleiding van anamnese en onderzoek, ten aanzien van de klachten van [eiser] Welke diagnose stelt u op uw vakgebied?

Wilt u de door u vastgestelde beperkingen van [eiser] zo nauwkeurig mogelijk beschrijven ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige?

2. Wilt u op grond van uw onderzoeksbevindingen en de overige beschikbare gegevens zo uitgebreid mogelijk gemotiveerd aangeven:

a. Welke zijn de (rest)klachten of (rest)verschijnselen van [eiser] die op medische gronden in redelijkheid beschouwd kunnen worden als te zijn ontstaan als gevolg van contact met oplosmiddelen althans neurotoxische stoffen? Indien een antwoord niet met zekerheid is te geven, kunt u dan de mate van waarschijnlijkheid aangeven (in de categorieën: "vrijwel zeker", "zeer waarschijnlijk", "waarschijnlijk", "niet waarschijnlijk", "zeer onwaarschijnlijk")?

b. Acht u het aannemelijk dan wel mogelijk dat de klachten van [eiser] het gevolg zijn van de arbeidsomstandigheden tijdens het dienstverband bij [gedaagde], met name het veelvuldig verrichten van verfspuitwerkzaamheden en het veelvuldig werken met oplosmiddelen door [eiser] bij [gedaagde] vanaf 1975, althans eind jaren '70 tot 1997?

c. Welke van de klachten of verschijnselen bestonden naar uw mening reeds voordat [eiser] bij [gedaagde] vanaf 1975 althans eind jaren '70 verfspuitwerkzaamheden ging verrichten en met oplosmiddelen ging werken, of zouden ook zijn ontstaan zonder dat [eiser] bij [gedaagde] verfspuitwerkzaamheden had verricht en met oplosmiddelen had gewerkt? Kunt u een indicatie geven op welke termijn en in welke mate dit dan het geval zou zijn geweest?

3. Wilt u de mate van functiestoornis (op uw vakgebied) van [eiser] als gevolg van een mogelijke beroepsziekte uitdrukken in een percentage ongeacht enig beroep en uitgaande van de toestand van [eiser] voordat de bedoelde problematiek bestond? Wilt u hierbij uitgaan van de richtlijnen van de American Medical Association (AMA) en/of de NOV/NVvN-richtlijnen? Wilt u zo nauwkeurig mogelijk omschrijven hoe het totale percentage is opgebouwd?

4. Is er thans sprake van een relatieve of definitieve eindtoestand met betrekking tot de eventuele beroepsziekte? Zo nee, verwacht u een verbetering dan wel een verslechtering ten opzichte van de huidige toestand en op welke termijn kan dan een eindtoestand wel worden verwacht? In hoeverre zal deze verandering het hiervoor bedoelde percentage functiestoornis dan wel de door u vastgestelde beperkingen nog beïnvloeden?

5. Heeft u nog (therapeutische) suggesties dan wel andere op- of aanmerkingen, welke voor de beoordeling van deze casus van belang kunnen zijn?

3.11. De kantonrechter zal de door [gedaagde] aangedragen suggestie om aan de neuroloog en de neuropsycholoog te verzoeken hun mening te toetsen aan het Protocol voor de Diagnostiek van OPS overnemen.

3.12. Aangezien de klachten van [eiser] mogelijk samenhangen met het werken met oplosmiddelen en hij gedurende lange tijd bij [gedaagde] verf heeft gespoten en heeft gewerkt met oplosmiddelen, is er reden om [gedaagde] te belasten met het voorschot op de kosten van de deskundigen.

3.13. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4. Werkgever aansprakelijk voor schade schildersziekte (OPS): de beslissing

De kantonrechter:

A. beveelt een deskundigenbericht;

B. benoemt in deze zaak tot deskundigen:

-

de heer dr. E.R.P. Brunt, neuroloog, verbonden aan het Academisch Ziekenhuis te Groningen (correspondentieadres: Postbus 564, 9700 AN Groningen);

-

de heer A.H. van Zomeren, neuro-psycholoog, voorheen hoofd van de neuropsychologische afdeling van het Academisch Ziekenhuis te Groningen (correspondentieadres: De Gast 47, 9801 AB Zuidhorn);

-

prof. dr. R.J. van den Bosch, psychiater, verbonden aan het Academisch Ziekenhuis te Groningen (correspondentieadres: Postbus 30001, 9700 RB Groningen);

C. draagt de deskundigen op om aan de kantonrechter schriftelijk een met redenen omkleed bericht uit te brengen omtrent de volgende vragen:

1. Welke zijn uw bevindingen, naar aanleiding van anamnese en onderzoek, ten aanzien van de klachten van [eiser]? Welke diagnose stelt u op uw vakgebied? Wilt u de door u vastgestelde beperkingen van [eiser] zo nauwkeurig mogelijk beschrijven ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige?

2. Wilt u op grond van uw onderzoeksbevindingen en de overige beschikbare gegevens zo uitgebreid mogelijk gemotiveerd aangeven:

a. Welke zijn de (rest)klachten of (rest)verschijnselen van [eiser] die op medische gronden in redelijkheid beschouwd kunnen worden als te zijn ontstaan als gevolg van contact met oplosmiddelen althans neurotoxische stoffen? Indien een antwoord niet met zekerheid is te geven, kunt u dan de mate van waarschijnlijkheid aangeven (in de categorieën: "vrijwel zeker", "zeer waarschijnlijk", "waarschijnlijk", "niet waarschijnlijk", "zeer onwaarschijnlijk")?

b. Acht u het aannemelijk dan wel mogelijk dat de klachten van [eiser] het gevolg zijn van de arbeidsomstandigheden tijdens het dienstverband bij [gedaagde], met name het veelvuldig verrichten van verfspuitwerkzaamheden en het veelvuldig werken met oplosmiddelen door [eiser] bij [gedaagde] vanaf 1975, althans eind jaren '70 tot 1997?

c. Welke van de klachten of verschijnselen bestonden naar uw mening reeds voordat [eiser] bij [gedaagde] vanaf 1975 althans eind jaren '70 verfspuitwerkzaamheden ging verrichten en met oplosmiddelen ging werken, of zouden ook zijn ontstaan zonder dat [eiser] bij [gedaagde] verfspuitwerkzaamheden had verricht en met oplosmiddelen had gewerkt? Kunt u een indicatie geven op welke termijn en in welke mate dit dan het geval zou zijn geweest?

3. Wilt u de mate van functiestoornis (op uw vakgebied) van [eiser] als gevolg van een mogelijke beroepsziekte uitdrukken in een percentage ongeacht enig beroep en uitgaande van de toestand van [eiser] voordat de bedoelde problematiek bestond? Wilt u hierbij uitgaan van de richtlijnen van de American Medical Association (AMA) en/of de NOV/NVvN-richtlijnen? Wilt u zo nauwkeurig mogelijk omschrijven hoe het totale percentage is opgebouwd?

4. Is er thans sprake van een relatieve of definitieve eindtoestand met betrekking tot de eventuele beroepsziekte? Zo nee, verwacht u een verbetering dan wel een verslechtering ten opzichte van de huidige toestand en op welke termijn kan dan een eindtoestand wel worden verwacht? In hoeverre zal deze verandering het hiervoor bedoelde percentage functiestoornis dan wel de door u vastgestelde beperkingen nog beïnvloeden?

5. Heeft u nog (therapeutische) suggesties dan wel andere op- of aanmerkingen, welke voor de beoordeling van deze casus van belang kunnen zijn? verzoekt de deskundigen dr. E.R.P. Brunt en de heer A.H. van Zomeren hun mening te toetsen aan het Protocol voor de Diagnostiek zoals weergegeven in het rapport S186 van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, met name aan de daarin aangegeven inclusie- en exclusieciteria met betrekking tot het stellen van de diagnose OPS;

D. bepaalt dat [gedaagde] een voorschot van € 6.500,- ter zake van de kosten van de deskundigen dient over te maken op rekeningnummer 19.23.25.787 ten name van DS 536 Arrondissement 's-Hertogenbosch onder vermelding van "voorschot deskundigen inzake zaaknummer 344056 /rolnummer 3353/04" en wel binnen vier weken na deze uitspraak;

E. bepaalt dat de deskundigen hun onderzoek zelfstandig zullen instellen op tijd en plaats als door hen (voor zover nodig in overleg met partijen) nader te bepalen, met dien verstande dat zij daartoe niet behoeven over te gaan dan nadat zij van de griffier schriftelijk bericht van de ontvangst van voormeld voorschot hebben gekregen;

F. bepaalt dat partijen hun volledige procesdossiers (eventueel in afschrift) aan de deskundigen dienen te doen toekomen;

G. wijst de deskundigen er op dat:

-

zij na aanvaarding van hun benoeming verplicht zijn de opdracht onpartijdig en naar beste weten te volbrengen;

-

zij bij het onderzoek partijen in de gelegenheid moeten stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen en dat uit het schriftelijk bericht moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan;

-

van de inhoud van de opmerkingen en verzoeken in het schriftelijk bericht melding moet worden gemaakt;

-

indien tijdens het onderzoek voormeld voorschot ontoereikend blijkt te zijn, zij direct bij constatering daarvan het onderzoek (voor zover redelijkerwijs mogelijk) dienen te schorsen en via de griffier een aanvullend voorschot dienen te vragen en dat zij pas na schriftelijk bericht van de griffier dat het aanvullend voorschot is ontvangen het onderzoek dienen te hervatten;

H. wijst partijen er op dat indien een partij schriftelijk opmerkingen aan (één van) de deskundigen doet toekomen, deze partij daarvan terstond afschrift dient te verstrekken aan de wederpartij;

I. bepaalt dat de deskundigen hun schriftelijk en ondertekend bericht in drievoud uiterlijk binnen vier maanden na het schriftelijk bericht van de griffier dat het voorschot is ontvangen, ter griffie van de kantonsector van de rechtbank moeten inleveren;

J. verwijst de zaak naar de rolzitting van 24 maart 2005 voor controle door de griffier van ontvangst van het voorschot;

K. verstaat dat nadat de griffier is gebleken dat het voorschot is ontvangen een datum voor een rolzitting zal worden bepaald voor voortprocederen na deskundigenbericht, waarbij [eiser] het eerst aan het woord is;

L. bepaalt dat de griffier een afschrift van dit vonnis aan de deskundigen zal doen toekomen;

M. houdt elke verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mr. J.H. Wiggers, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 februari 2005, in tegenwoordigheid van de griffier.

Vervolg vonnis

Wat is letselschade precies?

Mensen kunnen op verschillende manieren letsels oplopen. Een verkeersongeluk, medische fout, ongeval op het werk, een misdrijf, een onjuist geproduceerd product, gebeten door een beest, beroepsziekte, noem maar op. Letsels door de schuld van anderen. Schade die u wilt verhalen op degene die daar verantwoordelijk voor is. Als u er onderling niet uit komt dan is een letselschade procedure bij de rechtbank onvermijdelijk. Een procedure die soms wel jaren in beslag kan nemen. Het gaat daarbij niet alleen om een schadevergoeding voor de materiele schade maar ook om een vergoeding voor immateriële schade. Vergoeding van persoonlijk leed en verdriet noemt men smartengeld. In een procedure bij de rechtbank kan het eisen van schadevergoeding en smartengeld wel wat tijd in beslag nemen. In een procedure bij de rechtbank moet u wel bewijzen dat de letselschade wel door een ander is veroorzaakt. Dit betekent bonnetjes, facturen, brieven en memo’s bewaren.

Welke kosten vallen allemaal onder letselschade?

Welke kosten kunnen naast smartengeld allemaal naar voren gebracht worden in een procedure bij een rechtbank? Allereerst natuurlijk uw ziektekosten. Hierbij kunt u denken aan kosten die niet verzekerd zijn als alternatieve geneeswijze of fysiotherapie. Maar ook ziektekosten die u in de toekomst gaat maken en het verlies van uw eigen risico bijvoorbeeld. Allerlei reiskosten van ritjes naar het ziekenhuis tot de aanschaf van een nieuwe auto waar uw nieuw rolstoel in kan. Huishoudelijke hulp, reiskosten van familie, telefoonkosten, etc. Maar ook kosten omdat u uw werk niet meer kunt doen als voorheen en daardoor allerlei voordeeltjes mist als salarisverhogingen, bonussen, vakantiegeld, enzovoort. Eigenlijk al die kosten die extra gemaakt moeten worden vanwege uw letsel. Heeft u bij een procedure bij de rechtbank een letselschade advocaat nodig. Ja, die heeft u nodig. Alleen een advocaat kan uw zaak voor de rechter brengen. Het is wel zo dat de meeste letselschade dossiers niet voor de rechter worden gebracht. Daar wordt onderling uitgekomen. Een jurist met kennis van zaken is dan wel onontbeerlijk.



Lees letselschade tips en ervaringen van anderen. Wissel uw ervaringen uit.
Hulp nodig? Vind hier alle adressen van letselschade advocaten bij u in de buurt